Een vector kun je ook met een getal vermenigvuldigen. Je vermenigvuldigt dan ieder element van de vector met dit getal.
Voorbeeld: Beschouw de vector (5,3,2). Er geldt vervolgens: 2⋅(5,3,2)=(2⋅5,2⋅3,2⋅2)=(10,6,4) en 16⋅(5,3,2)=(16⋅5,16⋅3,16⋅2)=(56,36,46)=(56,12,23).