We lossen de volgende vergelijking op: |x−5|=1. Laten we eerst de grafiek kijken van f(x)=|x−5| bestuderen.

In de grafiek is te zien dat hoe verder de x-waarde van 5 afligt hoe hoger de functiewaarde. De vraag is nu dus om alle x te vinden zodanig dat de afstand tussen x en 5 gelijk is aan 1. Uit het onderstaande plaatje is op te maken dat x=4 of x=6.

Laten we dit probleem ook algebraïsch oplossen. We weten door de definitie van de absolute waarde dat |x−5|=x−5 als x−5≥0. Dus |x−5|=x−5 als x≥5. Verder geldt |x−5|=5−x als x−5<0, oftwel |x−5|=5−x als x<5. We splitsen daarom de vergelijking |x−5|=1 op in twee delen.
We nemen eerst aan dat x≥5:
|x−5|=1⇔x−5=1⇔x=6.
Vervolgens nemen we aan dat x<5:
|x−5|=1⇔5−x=1⇔−x=−4⇔x=4.
Op deze manier kunnen we de oplossing x=4 of x=6 ook algebraïisch vinden.
In de grafiek is te zien dat hoe verder de x-waarde van 5 afligt hoe hoger de functiewaarde. De vraag is nu dus om alle x te vinden zodanig dat de afstand tussen x en 5 gelijk is aan 1. Uit het onderstaande plaatje is op te maken dat x=4 of x=6.
Laten we dit probleem ook algebraïsch oplossen. We weten door de definitie van de absolute waarde dat |x−5|=x−5 als x−5≥0. Dus |x−5|=x−5 als x≥5. Verder geldt |x−5|=5−x als x−5<0, oftwel |x−5|=5−x als x<5. We splitsen daarom de vergelijking |x−5|=1 op in twee delen.
We nemen eerst aan dat x≥5:
|x−5|=1⇔x−5=1⇔x=6.
Vervolgens nemen we aan dat x<5:
|x−5|=1⇔5−x=1⇔−x=−4⇔x=4.
Op deze manier kunnen we de oplossing x=4 of x=6 ook algebraïisch vinden.