Introductie: Een functie van de vorm y(x)=ax, waarbij a (a≠1) een positief getal is wordt een exponentiële functie met grondtal a genoemd.
Opmerking 1: Neem a>1.
Voor de grafiek van de functie y(x)=ax geldt dan het volgende:
hoe groter het grondtal, des te sneller nadert de grafiek de x-as in de negatieve x-richting en des te sneller loopt de grafiek op in de positieve x-richting.
De grafiek van de functie z(x)=(1a)x is de gespiegelde in de y-as van de grafiek van de functie y(x)=ax.
Opmerking 2: Een exponentiële functie heeft (dus) geen nulpunten.
Voorbeeld: Hieronder een plaatje van y(x)=5x (de stijgende grafiek) en z(x)=(15)x (de dalende grafiek).

Opmerking 1: Neem a>1.
Voor de grafiek van de functie y(x)=ax geldt dan het volgende:
hoe groter het grondtal, des te sneller nadert de grafiek de x-as in de negatieve x-richting en des te sneller loopt de grafiek op in de positieve x-richting.
De grafiek van de functie z(x)=(1a)x is de gespiegelde in de y-as van de grafiek van de functie y(x)=ax.
Opmerking 2: Een exponentiële functie heeft (dus) geen nulpunten.
Voorbeeld: Hieronder een plaatje van y(x)=5x (de stijgende grafiek) en z(x)=(15)x (de dalende grafiek).