Beschouw de functie y(x)=−x2+6x−3. Er geldt dat
y'(x)=0\Leftrightarrow -2x+6=0\Leftrightarrow x=3.
Aangezien y''(x)=-2<0 voor iedere x, is y(x) een concave functie voor iedere x. Het punt x=3 is dus een maximumlocatie van de functie y(x). Hieruit volgt dat y(3)=6 een maximum van functie y(x) is.
- y′(x)=−2x+6;
- y″.
y'(x)=0\Leftrightarrow -2x+6=0\Leftrightarrow x=3.
Aangezien y''(x)=-2<0 voor iedere x, is y(x) een concave functie voor iedere x. Het punt x=3 is dus een maximumlocatie van de functie y(x). Hieruit volgt dat y(3)=6 een maximum van functie y(x) is.