Beschouw de functie f(x)=x2+3x2. We bepalen de oppervlakte van het gebied ingesloten door de grafiek van f(x), de x-as en de lijnen x=0 en x=2.

Allereerst onderzoeken we op welke (deel)intervallen de functie f(x) niet-negatief, danwel niet-positief is. Daartoe bepalen we eerst de nulpunten van f(x).
f(x)=0x2+3x2=0(x1)(x2)=0x=1 of x=2.

Op het interval [0,1] geldt f(x)0 en op het interval [1,2] geldt f(x)0, zie onderstaande grafiek.



De totale oppervlakte O(f,a,2) van het gearceerde gebied is gelijk aan O1+O2. Volgens de stelling over integralen en oppervlakte kunnen we deze oppervlakte uitdrukken in termen van integralen, dat is
O1+O2=10(x2+3x2)dx+21(x2+3x2)dx.


Een primitieve van f(x) is de functie F(x)=13x3+32x22x. We kunnen nu de gewenste integralen berekenen.
10(x2+3x2)dx=[13x3+32x22x]x=1x=0=(13+322)0=5621(x2+3x2)dx=[13x3+32x22x]x=2x=1=(83+64)(56)=16


Voor de oppervlakte van het gearceerde gebied geldt dus O(f,0,2)=O1+O2=56+16=1.